Derde en laatste deel van het verslag van mijn reis naar Sri Lanka in de zomer 2008.

Zoals ik in september schreef, bestond mijn reis uit drie delen: Het werk van de Stichting Vrienden van Sri Lanka, waar ik in september iets over schreef, een evangelisatiecampagne van een week in Kandy, waar ik in oktober iets over schreef, en een korte reis door India, waar ik deze keer kort iets van zal vertellen.

In juli 2007 was ik met drie vrienden een weekje is Kerala, één van de deelstaten van India, aan de Zuidwestkust. Helaas was ik toen vier van de zeven dagen ziek, waarschijnlijk door het voedsel van India. Ik was aan het einde van die reis zo verzwakt, dat ik met een rolstoel naar het vliegveld was gebracht. En vanuit India heeft Sri Lankan Airlines er voor gezorgd dat ook in Sri Lanka een rolstoel voor me klaar stond om weer naar ons centrum in Colombo vervoerd te kunnen worden.

Deze reis wilde ik dus over doen, en erg oppassen met eten, dus.

Alleen nu geen drie vrienden, die mee gingen, dus ging ik alleen.

Nu hadden we in 2007 een jongeman ontmoet, die we wat geld hadden gegeven om Engels te kunnen studeren. Dat heeft hij met redelijk goed succes gedaan, want daarna ontving ik enkele eigenhandig geschreven brieven van hem. Ik schreef hem dat ik naar India wilde komen en vroeg hem of hij een paar dagen vrij kon nemen om mij te begeleiden. Twee dagen voor mijn vertrek uit Sri Lanka naar India kreeg ik daar een telefoontje van hem, dat hij een hele week vrij had genomen en hij zou mij van het vliegveld afhalen. En hij stond er!!

Kerala is een bijzondere deelstaat van India. Het is het enige land ter wereld waar de communistische partij bij democratische verkiezingen soms aan de macht komt en na volgende verkiezingen weer in de oppositie geraakt, wanneer de Congrespartij de meerderheid behaalt.

Er is een goed politiek spel tussen beide partijen, wat zich weerspiegelt in de situatie in het land.

Het is de staat met de minste werkloosheid in India, en met het minste analfabetisme. Politiek is het er betrekkelijk rustig en het is er veilig.

Geen strijd tussen de verschillende religies, het christendom komt er – naast het hindoeïsme - in allerlei vormen veel voor.

Het straatbeeld wordt overheerst door mannen, netjes gekleed in zwarte pantalon en wit overhemd, gaande naar hun werk, studenten, geheel in witte schooluniformen, vrouwen in hun kleurige sari‘s, kinderen in verschillende schooluniformen en veel mannen in oranje overhemden, oranje pantalons of oranje sarongs, de kleur van het hindoeïsme.

Waar de Tuk-Tuks in Sri Lanka en de andere deelstaten van India in allerlei kleuren op straat rijden, hebben ze in Kerala, onder invlied van het communisme een eenheidskleur: zwart met een klein gekleurd randje.

Maandag 21 juli vertrok ik naar India, een uurtje vliegen. Die dag wilde ik in de hoofdstad Thiruvananthapuram wat rondkijken, het koninklijk paleis, de dierentuin, de oude tempel, maar, op maandag is alles daar gesloten.

Dinsdagmorgen vroeg vertrokken we met de trein naar Kochin, een eeuwenoude stad aan de Indische Oceaan. Het was een jarenlange wens van mij daar eens te komen en we waren daar in 2007 ook al even geweest.

Toen ik 30 jaar geleden ter gelegenheid van het 30-jarig bestaan van Israël met een delegatie naar Israël ben geweest, en daar met ministers en Golda Meïr gesprekken heb mogen voeren, ben ik van twee plaatsen ereburger geworden. Onder andere van Kfar Hanoar Chassidim, een chassidisch, religieus jeugdstadje onder Haifa, waar enkele honderden jongeren tot 18 jaar woonden. Tot mijn verbazing zag ik daar – naast negroïde joodse jongeren, uit Ethiopië, op Surinamers lijkende andere joodse jongeren. Die bleken uit India, uit Kochin te komen.

Het verhaal gaat dat, toen in 522 v.Chr. het noordelijk Tienstammenrijk onder koning Hosea in ballingschap werd weggevoerd, een grote groep gevlucht is naar o.a. India. Ook in latere perioden zijn steeds joden daarheen vertrokken. In Kochin en een aantal steden daaromheen woonden toendertijd vele joden. Zij kregen van de hindoe koning meer privileges dan andere bevolkingsgroepen, zoveel zelfs dat zij een eigen koninkrijkje mochten zijn, met een eigen joodse koning aan het hoofd. Na 1948 zijn de meeste joden naar Israël vertrokken. Er is nog een prachtige synagoge en in 2007 woonden er nog 11 joden, waaronder de ruim 80-jarige Sara Cohen. Ik heb haar weer kunnen bezoeken, en ze wist zich mij zelfs nog te herinneren, beweerde ze. Ze betreurde het dat ze zo weinig belangstelling ondervonden van andere joodse gemeenschappen in de wereld en dat er al vele jaren geen diensten meer gehouden konden worden. En, er woonden er nog steeds elf.

Na mijn bezoek aan haar heb ik het Hollandse paleis en de Hollandse en joodse begraafplaats willen bezoeken, maar alles was dicht.

’s Avonds heb ik een voorstelling bijgewoond van Kathakali, een zeer sensationele dansvorm, gebaseerd op oude hindoedichtwerken.

Woensdagochtend zijn we met de trein naar het uiterste noorden van Kerala gereisd. Aan de grens van de laatste Portugese kolonie Goa lag het dorpje, waar de ouders van mijn jonge gids woonden. Daar heb ik o.a. een steenfabriek bezichtigd en hebben we wat in de buurt rondgewandeld, is een miezerige regebui, die dagen duurde.

Donderdagavond zijn we met de nachttrein teruggereisd naar hoofdstad in het zuiden, Thiruvananthapuram, waar we na 13 uur reizen in een oude gammele trein uit de engelse periode op vrijdagochtend aankwamen.

Een uurtje later vertrokken we met een bus eerst een eindje noordwaarts en toen naar de oostgrens met Tamil-Nadu om daar een natuurpark te bezichtigen. Na een lange reis met telkens in een andere bus overstappen kwamen we daar tegen de avond aan. We konden gelukkig nog een hotelletje vinden, dat open was. Daar het het koude en natte seizoen was, waren er vrijwel geen toeristen en waren we bijna steeds de enige gasten in de hotels. Zaterdagochtend reden we naar het Periyar Nationaal Park, een van de mooiste natuurreservaten van India, waar ik bij aankomst een Surinaams echtpaar uit Rijswijk ontmoette.

Het regende zachtjes, het was 12 graden Celsius, het woei en er waren nauwelijks dieren te bekennen. Maar we zaten op een boot en de tocht duurde twee uur, dus we konden niet aan de kou en de nattigheid ontsnappen. En warme kleding hadden we niet bij ons. Ondanks dat was het toch wel een mooie tocht.

Zaterdagmiddag zijn we met een taxi naar het eerste hotel teruggekeerd, waar ik de volgende dag met het vliegtuig naar Sri Lanka zou terugkeren.

De taxibestuurder had aan zijn achteruitkijkspiegeltje een rozenkransje hangen, waardoor we met elkaar in gesprek raakten. Hij behoorde tot de Jacobieten, één van de vele orthodoxe stromingen in Kerala. Een CD met liederen van zijn kerk kreeg ik als cadeautje van hem mee.

En zondagochtend vroeg dus weer terug naar Sri Lanka. Het was een mooie, maar koude en vermoeiende reis, die ik misschien ooit nog wel eens zal doen.


Terug naar de startpagina